Je baan in TRAX Control
TRAX Control tekent je baan niet opnieuw: het leest het baanbestand dat TRAX3D van je ontwerp maakt. Daarin staan het spoor, de wissels, de emplacementen en de blokken, en TRAX Control tekent er zelf het schema van waarop je rijdt.
Het baanbestand maak je in TRAX3D op de tab Project, met de knop voor TRAX Control. Het heet zoals je baan en eindigt op .tlm. Heb je een bouwplan van je baan, dan zit het bestand daar al bij.
Verander je later iets aan je baan in TRAX3D, lees het bestand dan opnieuw in. TRAX Control laat zien wat er nieuw is, wat er weg is en wat er veranderd is.
Wat je klaarlegt
- TRAX Control op je computer.
- Het baanbestand van je baan.
- Voor het aansluiten: de adressen van je wisseldecoders en je melders, zoals je ze onder de baan hebt genoteerd.
- Voor het rijden: van elke locomotief het adres, en van elk voertuig de lengte.
De indeling voor dit hoofdstuk
Kies in de schermbalk bij “Standard arrangement…” de indeling “Layout overview”.
1AB2- 1 “Standard arrangement…”: kies “Layout overview”
- A Paneel “Layout”: het schema van je baan
- B Paneel “Trains”: de treinen
- 2 “Design”: opent de editor in het paneel
4.1 Je wilt je baan uit TRAX3D inlezen
Waar de indeling “Layout overview”; het paneel “Layouts” en het paneel “Layout”.
1. Open het paneel “Layouts” en kies “A new layout…” (1). Geef de baan een naam en open hem met de mapknop, “Open: work on this layout”.
2. Kies in het paneel “Layout” de knop “Import from TRAX3D…” (2) en kies het baanbestand.
12- 1 “A new layout…”: een nieuwe, lege baan
- 2 “Import from TRAX3D…”: het baanbestand inlezen
3. TRAX Control controleert het bestand en toont wat erin staat: de revisie, de versie van het uitwisselformaat, de schaal, het aantal wissels, kruisingen en kruiswissels, de stukken spoor (hoeveel, en hoeveel meter) en de emplacementen. Kies “Import” (1).
12- 1 “Import” (heet “Import and replace” als je de baan al eerder had ingelezen)
- 2 “Cancel”: niets inlezen
4. Links staat nu “The layout, as described” (3): de emplacementen en sporen zoals TRAX3D ze heeft doorgegeven. Rechts “The diagram drawn from it” (4): het schema dat TRAX Control ervan tekent. In een lege baan is dit meteen je baan; had de baan al een schema, kies dan “Use as the layout” (2).
1234- 1 “Import from TRAX3D…”: opnieuw inlezen
- 2 “Use as the layout”: dit schema wordt je baan
- 3 De baan zoals TRAX3D hem heeft doorgegeven
- 4 Het schema dat TRAX Control ervan tekent
5. Scrol naar “What it can run” (1): hoeveel treinen van welke lengte de baan aankan, en welke diensten voor de hand liggen. Met (2) bewaar je zo'n dienst alvast.
12- 1 “What it can run”: wat de baan aankan
- 2 “Keep it as a duty”: de voorgestelde dienst bewaren
6. Sluit af met “Done: back to working the layout”.
4.2 Je wilt je baan opnieuw inlezen na een wijziging
Waar de indeling “Layout overview”; het paneel “Layout”, de knop “Design”.
Verander je later iets aan je baan in TRAX3D, maak dan het baanbestand opnieuw en lees het weer in met “Import a layout designed in TRAX3D”. TRAX Control laat zien wat er nieuw is, wat er weg is en wat er veranderd is.
De blokken houden hun nummer als je dezelfde baan opnieuw inleest, dus de treinen blijven staan waar ze stonden.
4.3 Je wilt het schema zelf tekenen of veranderen
Waar de indeling “Layout overview”; het paneel “Layout”, de knop “Design” (de pen rechtsboven in het paneel).
De editor opent in het paneel. Op een baan zonder schema biedt het paneel “Import from TRAX3D…” en “Draw it yourself”.
12345678- 1 “Select and move”: een stuk aanklikken en verplaatsen
- 2 De tegels: kies er een en klik op het vel om hem te leggen
- 3 “Next way round”: het stuk dat je net legde een slag draaien
- 4 “Blocks”: blokken maken en verdelen
- 5 “Emplacements”: een emplacement maken
- 6 “Undo”: ongedaan maken
- 7 “Import a layout designed in TRAX3D”: een baanbestand inlezen
- 8 “Done”: bewaren en terug naar het rijden
Je wilt spoor leggen
1. Kies een tegel (2). Elke soort staat er één keer, in één stand.
2. Klik op het vel om hem te leggen. TRAX Control draait hem zo dat hij aansluit op wat ernaast ligt.
3. Past de stand niet, kies dan “Next way round” (3), of druk op de spatiebalk of R: het stuk dat je net legde draait naar zijn volgende stand. Met Shift+R draait het terug.
De tegel blijft gekozen: de volgende klik legt er nog een. Slepen legt een hele rij.
Je wilt spoor weghalen
Kies de gum, of sleep met de rechtermuisknop.
Je wilt veranderen wat er ligt
- “Select and move” (1): klik een stuk aan om zijn gegevens te zien: de naam, of het spoor veel langer is dan getekend (gestippeld), de adressen van een wissel, draaien en weghalen.
- “Pick with a box”: sleep een kader over het spoor; Shift voegt toe. Ctrl+klik kiest één stuk, Shift+klik een heel stuk spoor tot aan een wissel, Ctrl+A alles.
- Wat je hebt gekozen krijgt een greep. Sleep de greep om het te verplaatsen; het spoor ernaartoe wordt meteen opnieuw gelegd. R en Shift+R draaien het een kwartslag, E en Shift+E een achtste. Met de grepen op de zijden van het kader maak je het langer of korter: groen waar dat kan, rood waar niet.
12345- 1 Het stuk dat je hebt aangeklikt: hier een dubbele kruiswissel
- 2 “Accessory address”: het adres van de eerste aandrijving
- 3 “Second address”: de aandrijving aan het andere eind, als die er is
- 4 Het stuk draaien
- 5 Het stuk weghalen
Rechts staat het stuk dat je hebt aangeklikt (1): hier een dubbele kruiswissel met het adres van zijn eerste aandrijving (2) en van de tweede (3). Met (4) draai je het stuk, met (5) haal je het weg.
Je wilt een emplacement maken
Kies “Emplacements” (5). Heb je spoor gekozen, dan maakt TRAX Control daar een emplacement van; je kunt ook een kader over het spoor slepen. In één venster vraagt het de naam en de soort: station, halte, rangeerterrein, schaduwstation, opstelspoor, industriespoor, depot of knooppunt. Klik op de naam van een emplacement en daarna met Ctrl op spoor om het erbij te nemen of eruit te halen.
Je wilt een tekst op het schema
Kies “Label” en klik waar de tekst moet komen.
Ongedaan maken, en klaar
Met “Undo” (6) of Ctrl+Z maak je de laatste stap ongedaan; Ctrl+Y doet hem opnieuw. “Done” (8) bewaart en brengt je terug naar het rijden. TRAX Control bewaart ook terwijl je tekent. Met (7) lees je een baanbestand uit TRAX3D in.
Wat de editor niet kan
Een verbinding tussen twee niveaus, de cirkels met een letter (A, B, …), kun je niet tekenen. Die komen alleen uit het inlezen: een helling tussen twee niveaus in TRAX3D wordt zo'n verbinding. Verplaatsen kan wel.
4.4 Wat er met de blokken en de seinen gebeurt
TRAX Control neemt de blokken uit het baanbestand over, met dezelfde nummers (B1, B2, …). Je hoeft ze niet zelf in te delen of over te typen.
Komt het baanbestand uit een bouwplan van TRAX3D, dan is het de indeling van dat plan: de blokken op het scherm zijn die van het blokkenschema in je boek. Bij een los geëxporteerd baanbestand stelt TRAX3D zelf een indeling voor.
Staan er in het baanbestand ook seinen, dan plaatst TRAX Control die bij “Use as the layout” zelf; zie Je wilt seinen plaatsen.
Blokken en lassen
1234- 1 Een blok: het spoor tussen twee wissels
- 2 Het eind van een blok
- 3 Een wissel
- 4 Een las: te kort voor een blok; hoort bij geen blok en krijgt geen melder
Een blok (1) is het spoor tussen twee wissels (3); waar het ophoudt is zijn eind (2). Spoor dat korter is dan het kortste blok is een las (4): een kort stukje tussen twee wissels, bijvoorbeeld. Een las hoort bij geen blok, wordt als gewoon spoor getekend zonder de kleur van een blok, en krijgt geen melder.
Het kortste blok is wat de schaal van je baan maakt van 8,7 meter: ongeveer 100 mm in H0. Bij het inlezen kun je het zelf instellen: “Shortest block in millimetres”.
4.5 Je wilt blokken maken of verdelen
Waar de indeling “Layout overview”; het paneel “Layout”, “Design”, het gereedschap “Blocks”.
4- 4 “Blocks”: blokken maken en verdelen
Blokken ontstaan vanzelf: elk stuk spoor tussen wissels wordt een blok, en spoor dat je aan zo'n stuk tekent hoort bij dat blok.
- Een blok maken: kies “Blocks” (4) en klik op spoor dat bij geen blok hoort. Het hele stuk tot aan de wissels wordt een nieuw blok. Rechts vul je de naam in, “Length of the stretch (mm)” en “Detector address”.
- Een blok verdelen: klik met “Blocks” op het blok. Ctrl+klik op één stuk, of Shift+klik van het laatste stuk tot dit stuk: wat je eruit haalt wordt een eigen blok. Met dezelfde klikken zet je een stuk in een blok, ook een las.
- Een blok weghalen: kies het blok en druk op Delete.
4.6 Je wilt een tweede baan maken
Waar het paneel “Layouts”.
TRAX Control bewaart zoveel banen als je wilt; je werkt aan één tegelijk. Dat is handig voor een tweede baan, voor een modulebaan in verschillende opstellingen, of om een ontwerp te proberen naast de baan die er al ligt.
1- 1 “A new layout…”: een nieuwe, lege baan
1. Open het paneel “Layouts”.
2. Kies “A new layout…” (1) en geef de baan een naam.
3. Open een baan met de mapknop, “Open: work on this layout”. Alles wat je daarna doet gaat over die baan.
Je voertuigen horen niet bij één baan: je gebruikt ze op elke baan. Treinen horen wel bij een baan: op een andere baan stel je je treinen opnieuw samen, uit dezelfde voertuigen.